Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8046

Datum uitspraak2004-12-08
Datum gepubliceerd2004-12-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/329 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verwijtbare werkloosheid door 2 maal langdurig verslapen. Maatregel bij herleefde WW-uitkering.


Uitspraak

03/329 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond, reg.nr. 02/441 WW, op 11 december 2002 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 oktober 2004, waar appellant en zijn gemachtigde -zoals aangekondigd- niet zijn verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen W. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn beoordeling. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil het antwoord op de vraag of gedaagde terecht op appellants met ingang van 23 november 2001 herleefde WW-uitkering een maatregel heeft opgelegd in de vorm van een verlaging met 35 procentpunten gedurende 26 weken omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden uit zijn dienstbetrekking met uitzendbureau Adecco. De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Ook voor de Raad staat genoegzaam vast dat appellant, door zich in korte tijd na de aanvang van zijn arbeid bij Adecco twee keer langdurig te verslapen, zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beƫindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe feiten of gronden. Nu de Raad hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen volledig kan onderschrijven, ziet de Raad geen aanleiding nader op deze herhaalde feiten en gronden in te gaan. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Savas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) L. Savas.